donderdag

Ik en de ander

Wat ik ook denk, ik denk altijd wat de ander er van zal vinden. Wat ik ook doe, ik doe het altijd voor de ander. Wat ik ook ben, ik ben het altijd voor de ander. Dus wat ik ook denk,doe of ben altijd is er de ander, mijn ogen zijn voortdurend gericht op de ander. En omdat mijn ogen op een overdreven manier gericht zijn op de ander, ben ik mezelf vergeten. Aangezien ik mezelf vergeten ben weet ik niets over mezelf. Alles wat ik weet over mezelf, heb ik dan ook van een ander. Ik heb geen eigen kennis. Mijn kennis bestaat uit wat anderen ooit over mij gezegd hebben. Als iemand zegt dat ik intelligent ben, dan neem ik dat zonder meer aan. Als iemand zegt dat ik dom ben, dan zal ik me dat steeds herinneren. Eigenlijk weet ik dus niet wie ik echt ben, ik ben alleen maar een opeenstapeling van meningen die anderen over mij hebben. En het vreemde hiervan is dat de ander die denkt mij te kennen, zichzelf ook niet kent. Die ander kent zichzelf weer door mij. Dus ik ken mezelf door de ander en de ander kent zichzelf door mij, maar geen van beiden weten we wie we zijn.